Martijn Aslander stuurde me zijn boek Informatieautonomie, te bestellen bij Managementboek.nl een tijdje geleden op. Het duurde een tijdje voordat ik het las en uitlas. Niet omdat ik het niet wilde lezen, maar eerst was ik op vakantie, en dit voelde toch wel als iets dat met werk te maken had. Dus ik parkeerde dit non-fictieboek voor na mijn vakantie (op vakantie wil ik een boek met een lijk, een onbetrouwbare verteller en verder helemaal niets, geen documentbeheer). Sowieso heb ik een beetje een probleem met non-fictie: ’s avonds in bed wil ik rust, niet nadenken. En dit boek zet je juist enorm aan het denken.
Precies het verkeerde moment dus. En daarna bleef het liggen.
Er speelde nog iets anders mee. Ik volg Martijns verhaal al een tijdje. Vorig jaar was ik er zelf bij toen hij tot de ontdekking kwam dat het documentformaat weleens de bron kon zijn van een hoop problemen in automatiseringsland. Ik had dus al brokjes van zijn verhaal meegekregen, en toen ik eindelijk begon te lezen dacht ik: dit weet ik toch allemaal al. Klassiek geval van hoogmoed, achteraf. Niets is minder waar. Ik haalde er wel degelijk nieuwe inzichten uit, alleen anders dan ik verwachtte.
Datasoevereiniteit is niet hetzelfde als informatieautonomie
Dat is meteen het eerste dat blijft hangen. Datasoevereiniteit, kort gezegd: bepaal je zelf waar je data staat en wie erbij kan, is een actueel onderwerp. Met dank aan Microsoft is die discussie flink op gang gekomen. Maar informatieautonomie staat daar eigenlijk los van, al biedt de datasoevereiniteitsdiscussie nu wel een opening om het als organisatie op te pakken.
De vraag die je jezelf zou moeten stellen is: kan ik over tien jaar nog bij deze informatie, als ik niet meer met deze softwareleverancier werk? Het antwoord is ja, als je Markdown gebruikt (platte tekst met een paar simpele opmaakcodes) of gewoon platte tekst.
En dat negeren we al dertig jaar.
Een herinnering uit de drukkerij
Bij het lezen kwam er een oude herinnering boven uit mijn drukkerijtijd, jaren negentig. Wij vroegen klanten om platte tekst aan te leveren. Bijna niemand deed dat. Ze leverden Word aan, en dan kwam er zoveel rommel mee dat je eerst alles moest opruimen voordat je de tekst kon verwerken in QuarkXPress, waar we toen mee werkten. De “oplossing” werd dat opmaakprogramma’s, eerst Quark, later InDesign, leerden omgaan met Word en de rommel er automatisch uitstripten. Handig, maar daarmee accepteerden we ook iets: tekstverwerken, het woord zegt het al, zou over het verwerken van tekst moeten gaan, niet over opmaak.
Ik ergerde me daar toen al aan. Ik begon het alleen langzaam normaal te vinden.
Nu, dertig jaar later, denk ik: dat was de fout. We accepteerden dat Word de standaard werd, ook voor dingen die alleen digitaal verwerkt zouden worden. In plaats van informatie los te koppelen van het formaat waarin je het aanlevert, vormvrije informatie dus. Daar gaat dit boek over. Er ligt nu een kans voor organisaties om na te denken over met welke systemen ze willen werken, om informatie te bevrijden zodat die minder ruimte inneemt en sneller doorzoekbaar is.
Geschreven zodat zijn moeder het kon lezen
Wat opvalt: het boek is makkelijk te lezen. Martijn vertelde me ooit dat hij het schreef alsof zijn moeder het moest kunnen begrijpen, en daar ook op getoetst heeft. Dat geloof ik meteen. Geen ingewikkelde termen, en waar het toch nodig is, staat de uitleg achterin. Al is dat niet overal even consistent volgehouden: het eerste deel leest het prettigst, met een goede afwisseling tussen korte en langere alinea’s. Ik las in een andere recensie dat het begin nogal wat herhaling bevat, en dat klopt, al had ik daar zelf niet zoveel last van.
Verderop wordt het meer staccato.
Er staan veel voorbeelden in het boek, die geven een goed beeld van wat er kan en nu mis is. Alleen lijken ze soms zonder inleiding neergezet, alsof je midden in het ene voorbeeld zit en dan ineens in een heel ander voorbeeld staat, zonder dat de vorige casus is afgerond.
Ook hoofdstukken eindigen soms wat abrupt, alsof er staat “en nu is het af”. Daar had ik graag wat meer verdieping gewild.
Maar de vorm is niet waar dit boek om draait.
Cultuur volgt het gereedschap
Het grootste inzicht kwam pas laat. Mijn eerste gedachte bij het lezen was: leuk en aardig dat Martijn dit weer opschrijft, maar dit gaat toch niet veranderen, want eerst moet de cultuur in een organisatie veranderen.
Maar Martijn schrijft iets dat die gedachte onderuit haalt. Cultuur en techniek staan niet los van elkaar:
“Wie jarenlang in Word werkt, leert in Word-documenten denken. Wie overschakelt naar Markdown, merkt binnen een paar weken al dat hij anders naar zijn eigen kennis kijkt. De gewoonte volgt het gereedschap. McLuhan wist het al: the medium is the message.”
Dat is de eyeopener, en blijkbaar moet ik McLuhan weer eens herlezen. Ik dacht altijd dat cultuur eerst moet veranderen voordat de tools kunnen veranderen. Martijn draait het om: de tools die je mensen voorschrijft, vormen die cultuur juist. De cultuur die we de afgelopen dertig jaar rondom kantoorsoftware hebben opgebouwd, is voor een groot deel een reactie op de software die we hebben gekozen. Niet andersom.
Persoonlijk werk ik al lang niet meer in documenten. Deze blog schrijf ik in Obsidian, een fijn en gratis programma waarin je snel gedachten, vondsten en belangrijke informatie vastlegt en aan elkaar verbindt. In mijn loondienstbaan weet ik nog niet precies wat ik ermee ga doen. Maar ik ga niet meer zitten wachten tot de cultuur vanzelf rijp is voor iets nieuws.
Ik ga gewoon kijken wat ik zelf al kan aanpakken.
Reacties
Reageer op dit artikel via Mastodon! Reageer op de originele post en je reactie verschijnt hier.