De afgelopen maanden was het stil op dit blog. Niet omdat ik niks deed. Eerder het tegenovergestelde: ik was bezig met iets waar ik niet over kon schrijven.

Ik schrijf een boek.

Een thriller, om precies te zijn. Onder een pseudoniem dat ik hier niet ga noemen, want dat is een beetje het punt. Mijn moeder leest Kobo Plus. Ze heeft het abonnement inmiddels drie keer uitgelezen, of zo voelt het tenminste. Het wordt steeds lastiger voor haar om boeken te vinden die ze nog niet heeft gelezen in het genre dat ik zelf voor het gemak ‘Boomer Chick Lit’ noem. En op een avond dacht ik: wat als ik nou eens boeken voor haar ga schrijven?

Niet als grap. Als serieus project. Kijken hoe ver ik kom. Kijken of zij het leuk vindt zonder te weten dat het van mij is. En kijken of ik, een 54-jarige content designer die nooit eerder fictie publiceerde, een leesbaar boek bij elkaar kan krijgen. Ik heb in het verleden wel veel geblogd en ook veel schrijftechnieken in mijn opleidingen geleerd, maar dit is toch wel andere koek.

Waarom een pseudoniem

Hendrik Groen begon in 2012 als blog, werd een boek in 2014, en het duurde tot 2016 voor NRC onthulde dat het Peter de Smet was, een bibliothecaris uit Amsterdam. Tegen die tijd had het boek meer dan een miljoen lezers en een tv-serie. Vorige maand werd onthuld dat de dichter Evi Aarens eigenlijk Lodewijk van Oord is, een schrijver die onder zijn eigen naam romans publiceert maar onder pseudoniem een dichtbundel uitgaf bij Cossee. Twee jaar lang wist niemand wie erachter zat.

Allebei schrijvers die wilden testen of hun werk op eigen kracht overeind bleef. Mijn situatie is anders. Ik ben geen bekende schrijver die een alter ego nodig heeft. Ik wil dat mijn moeder het leest en eerlijk oordeelt, niet gekleurd door het feit dat haar dochter het schreef.

En ik wil weten hoe ver ik kan komen. Of het bij één boek blijft of dat er iets groeit.

Wat ik leer

Ik had geen idee hoeveel er komt kijken bij het schrijven van een boek. Niet het schrijven zelf, dat is relatief gezien het makkelijke deel. Het is alles eromheen.

Een tijdlijn bijhouden. Waar slaapt je hoofdpersonage op dinsdag? Met welke auto rijdt ze? Heeft ze die jas nog aan van drie hoofdstukken geleden, of heeft ze die ergens uitgedaan? In een thriller moeten clues kloppen, aanwijzingen die de lezer pas later herkent. Je moet bijhouden wie wat weet, wie liegt, en waarom. En dat allemaal in de juiste volgorde, op de juiste dag, in een stad die echt bestaat en waar tramlijnen niet zomaar van straat wisselen.

Ik heb een clue-register. Een stratenplan van de wijk waar het verhaal speelt, gecheckt tegen Google Maps. Ik merk dat het enorm helpt dat ik zelf de stad en wijk in kwestie goed ken. Een document dat per scene bijhoudt welk personage welke informatie heeft. Een tijdlijn met rijtijden en openingstijden van het politiebureau.

Het is project management in romanvorm. En dan ben ik nog niet eens aan de slag met het uitgeefproces: ga ik uitgevers benaderen? Doe ik het zelf? Hoe zet ik de PR op rond mijn pseudoniem?

AI als sparringpartner

Hier wordt het interessant, en ingewikkeld.

Ik schrijf met Claude. Niet in de zin dat ik op een knop druk en de AI mijn boek schrijft. Maar Claude is mijn research-assistent, mijn continuïteitschecker, mijn eerste lezer, en soms mijn tegenstem. Claude heeft me geholpen uitzoeken hoe goede thrillers in elkaar zitten: welke plotstructuren werken, hoe je spanning opbouwt in scenes, wat het verschil is tussen een clue die de lezer onbewust oppikt en eentje die te dik is aangezet. Ik heb een heel team aan gespecialiseerde AI-agents opgebouwd: een plotarchitect die checkt of de clues kloppen, een fictie-eindredacteur die naar stijl kijkt, een eerste lezer die reageert als naïeve lezer. Na elk hoofdstuk draai ik ze alle vier.

De AI schrijft concepten die ik vervolgens herschrijf. De AI checkt of de geografie van de stad klopt (en heeft het daarbij vier keer fout gehad over dezelfde tramhalte). De AI houdt bij of een personage in hoofdstuk 14 niet iets zegt dat tegenspreekt wat ze in hoofdstuk 7 deed. Dat is werk dat ik zelf ook zou moeten doen, maar dan in spreadsheets en post-its. De AI maakt het sneller en consistenter.

Maar de AI maakt ook dingen die ik niet wil. Patronen. Na twintig hoofdstukken ken ik ze uit mijn hoofd. De neiging om elke scene te openen met een weersomschrijving. Het woord “alsof” in elke andere zin. Retorische constructies die klinken als literatuur maar hol zijn bij herlezing: “het was niets en het was genoeg”, “overal vandaan en nergens vandaan”. Het zijn zinnen die een AI genereert omdat ze statistisch passen bij het genre. Ze voelen als gewicht, maar het is vulling.

Ik grep erop. Letterlijk. Na elk hoofdstuk draai ik een zoekactie op bekende AI-patronen en haal ze eruit. Dat is misschien het eerlijkste wat ik kan zeggen over schrijven met AI: de helft van het werk is opruimen wat de AI achterlaat.

Waar AI faalt

Claude kan geen woorden tellen. Dat klinkt als een grap maar het is een structureel probleem. Het verschil tussen wat Claude denkt dat er staat en wat Obsidian, waar ik mijn boek in schrijf, telt is drie tot vijf procent. Bij een boek van 80.000 woorden is dat 4.000 woorden verschil. Dat is een heel hoofdstuk.

Claude volgt soms het afgesproken proces niet. Ik heb een schrijfworkflow van zes stappen, met checks en reviews en verplichte tussenstops. Die workflow bestaat omdat ik geleerd heb dat het zonder misgaat: feiten die niet kloppen, personages die op de verkeerde plek staan, een brief die verwijst naar iets dat drie hoofdstukken eerder al was opgelost. Claude kent die workflow, hij staat in de projectdocumentatie. En toch slaat Claude stappen over als ik er niet expliciet om vraag. Het proces werkt alleen als ik het afdwing.

En Claude maakt fouten die ik niet verwacht. Een personage dat een voorwerp voelt drukken tegen haar heup vanuit een jaszak. Dat kan niet, een jaszak hangt te los. Een route door een stad die start in de verkeerde wijk. Een politiebureau dat open is om half zeven ’s ochtends. Het zijn details die plausibel klinken maar niet kloppen. En de lezer die de stad kent, of die weet hoe jaszakken werken, prikt er zo doorheen.

Is dit valsspelen?

Ik weet het eerlijk gezegd niet.

De plotbeslissingen zijn van mij. De personages, hun geheimen, hun motieven. Elk woord dat in het manuscript staat, heb ik geschreven of herschreven. Maar zonder AI had ik dit boek niet in dezelfde tijd geschreven. De continuïteitscontrole, het bijhouden van wie wat weet in welk hoofdstuk, dat kost weken aan spreadsheet-werk. Met AI kost het een avond.

Je zou het kunnen vergelijken met een redacteur. Iemand die je tekst leest, vragen stelt, fouten aanwijst. Dat iemand een redacteur heeft maakt een boek niet minder van de schrijver. Maar mijn redacteur schrijft ook de eerste versie mee, en dat voelt anders. Ik ben er nog niet uit waar de grens ligt.

Wat ik wel weet is dat ik er open over wil zijn. Niet in het boek, niet onder het pseudoniem. Maar hier, waar ik toch al schrijf over AI als gereedschap.

Hoe ver ik ben

Het manuscript zit op zo’n 57.000 woorden. Het doel is 80.000 tot 85.000. Ik werk er vier avonden per week aan, al een paar weken. De eerste versie van alle hoofdstukken is af. Ik zit midden in de revisie en dat is minstens zo leerzaam als het schrijven zelf. Dingen die in de eerste versie logisch leken, blijken dat bij herlezing niet te zijn. Scènes die spannend voelden, hangen bij nader inzien in de lucht. Het is een ander soort puzzelen: niet bedenken wat er moet gebeuren, maar repareren wat er al staat.

Ik kan er verder niet veel over zeggen. Dat is een beetje gek, een blogpost schrijven over iets waar je niet over wil praten. Ik vertel dat ik het doe, maar niet wat het is. En dan maar hopen dat mijn moeder dit blog niet leest.